- Stand
- Stand〈m.; Standes, Stände〉1 stand ⇒ houding; peil, niveau2 staat, (toe)stand3 stand, klasse ⇒ rang; beroep(sgroep)4 burgerlijke staat5 stand(plaats)6 stalletje, kraampje7 stand 〈op jaarbeurs, tentoonstelling〉8 paardenvak, stand9 schietbaan10 〈meervoud; geschiedenis〉stenden, staten11 〈jacht〉wildstand12 〈plantkunde〉bloeiwijze13 〈Zwitserland〉kanton♦voorbeelden:1 〈informeel〉 einen harten, schweren Stand haben • het hard te verduren hebbenauf dem neuesten Stand der Technik • technisch helemaal bij, up-to-dateaus dem Stand • zonder aanloop〈informeel〉 aus dem Stand (heraus) • (a) voor de vuist weg; (b) op stel en sprong, van meet af aan〈informeel; figuurlijk〉 keinen guten Stand bei jemandem haben • bij iemand niet in een goed blaadje staanim Stande, in Stand halten • onderhouden, in goede staat houdenim Stand laufen • stationair lopen, draaien 〈motor〉im Stand(e) sein, etwas zu tun • in staat zijn om iets te doenetwas ist gut in Stand • iets is in goede staat2 der Stand der Dinge • de stand van zakenaußer Stand(e) sein • niet in staat zijnjemanden außer Stand(e) setzen, etwas zu tun • het iemand onmogelijk maken iets te doenjemanden in Stand setzen, in den Stand versetzen, etwas zu tun • iemand in staat stellen iets te doenetwas in Stand setzen • iets herstellen, reparerenetwas zu Stande bringen • iets tot stand brengenzu Stande kommen • tot stand komen3 die niederen, unteren Stände • de lagere standenvon Stand • van stand, standing4 der Stand der Ehe • de gehuwde staatder ledige Stand • de ongehuwde staat〈formeel〉 in den (heiligen) Stand der Ehe treten • in het huwelijk, de echt treden
Wörterbuch Deutsch-Niederländisch. 2015.